| Status | Voltooid |
| Lancering | 1980 |
| Ruimtevaartorganisatie | NASA |
| Type (HXIS) | Röntgenstraling (0,04 – 0,35 nm / 3,5 – 30 keV) |
| Orbit | Geocentrisch (574 km hoogte) |
| SRON-bijdrage aan | HXIS |
De Solar Maximum Mission was speciaal ontworpen om de Zon te bestuderen tijdens het ‘solar maximum’, de periode in de 11-jarige cyclus waarin die de meeste activiteit vertoont. De missie leverde meer begrip op over zonnevlammen, de zonnewind en coronal mass ejections (CME’s).
SMM toonde onder meer aan dat röntgenstraling wordt uitgezonden vanaf de basis van de magnetische bogen die uit het zonneoppervlak steken. Ook observeerde hij röntgenstraling vanuit twee plekken op het oppervlak die ver uit elkaar lagen voordat er een Coronal Mass Ejection (CME) plaatsvond.
Tien maanden na lancering brak er een zekering in het standregelsysteem waardoor de satelliet niet meer goed op de zon kon richten. SMM werd daarop in standby modus gezet. In 1984 reisden astronauten met de Challenger Space Shuttle naar SMM om hem uit zijn baan te plukken, te repareren in Challenger’s laadruim en vervolgens weer los te laten. Uiteindelijk bleef SMM nog tot 1989 operationeel.
SMM was uitgerust met een pakket van zeven instrumenten die samen het hele spectrum van zonneactiviteit konden meten, van zichtbaar licht tot gammastraling. SRON was verantwoordelijk voor de Hard X-ray Imaging Spectrometer (HXIS), dat het samen met de Universiteit van Birmingham ontwikkelde.
Vóór SMM konden wetenschappers wel meten dat er röntgenstraling van de Zon kwam, maar niet precies waar op de Zon de bron zat. Röntgenstraling is lastig te focussen met gewone lenzen. SRON-engineers bouwden het afbeeldende systeem met een ‘zeefplaat-collimator’. Die bestaat uit tien zeefplaten achter elkaar met 350.000 gaatjes per plaat. Ze lijnden die zo uit dat er vele kijkbuisjes ontstonden. Dit bracht een uitdaging met zich mee qua mechanische en thermische stabiliteit omdat de zeefplaten tijdens de lancering niet meer dan twee micron mochten verschuiven.
De kijkbuisjes zorgden ervoor dat alleen licht van een specifiek stukje hemel, of in dit geval van een stukje van het zonne-oppervlak, op een pixel viel. Het instrument maakte zo als eerste beelden van hoog-energetische zonnevlammen in het bereik van 3,5 tot 30 keV, met een resolutie van acht boogseconden. De tijd tussen waarnemingen varieerde van 1,5 tot acht seconden.

