| Status | Actief |
| Lancering | 2019 |
| Ruimtevaartorganisatie | GroundBIRD Collaboration |
| Type | Microgolf (2.1 mm en 1.4 mm) |
| Orbit | Tenerife |
| SRON-bijdrage aan | Detectoren |
Inflatie
Kosmologen hebben in hun modellen een periode van extreme inflatie nodig in de eerste 10-32 seconden na de geboorte van het heelal, om deze in overeenstemming te houden met waarnemingen. Het heelal zou in die korte periode met een factor 1027 zijn gegroeid.
Horizonprobleem
Een van de problemen waar het kosmologische standaardmodel tegenaan loopt, is dat het heelal op grote schaal overal dezelfde temperatuur heeft. In welke richting we ook kijken, we zien overal een uniforme straling die zou worden uitgezonden door een object van ongeveer 2,7 Kelvin, ofwel 2,7 graden boven het absolute nulpunt (-273,15 °C). In deze zogenoemde kosmische achtergrondstraling (CMB) meten we slechts ruimtelijke variaties in de orde van een duizendste procent.
Het probleem hierbij is dat gebieden aan de ene kant van het heelal nooit hebben kunnen communiceren met gebieden aan de andere kant, omdat de lichtsnelheid daarvoor te laag is en de afstand te groot. Hoe kunnen hun temperaturen dan toch zo precies overeenkomen? Kosmologen noemen dit het horizonprobleem. Alleen als er kort na de geboorte van het heelal een extreme inflatie plaatsvond, konden gebieden die voorheen met elkaar in contact stonden, nu zó ver uit elkaar liggen.
Vlakheidsprobleem
Het tweede probleem met het kosmologische standaardmodel is dat het heelal exact vlak lijkt te zijn, met precies de juiste dichtheid van materie en energie. Hiermee bedoelen we dat de ruimte niet bolvormig is (waarbij de hoeken van een driehoek optellen tot meer dan 180 graden), en ook niet zadelvormig. Astronomen hebben een denkbeeldige driehoek getrokken tussen de Aarde en twee punten aan de hemel. Op basis van de CMB kunnen ze met een nauwkeurigheid van slechts 0,2% vaststellen dat de hoeken keurig optellen tot 180 graden, net als op een vel papier.
Het probleem is dat deze vlakheid een absurde toevalligheid lijkt, een onmogelijke meevaller voor de mensheid. Als de dichtheid ook maar iets hoger of lager was geweest, zou het heelal kort na de oerknal weer in elkaar zijn gestort, of juist uit elkaar zijn gevlogen lang voordat sterren, planeten en mensen zich konden vormen. De dichtheid, en daarmee de vlakheid, van het heelal moet een kritische waarde hebben die zó belachelijk precies is, dat kosmologen spreken van een onmogelijk toeval. De foutmarge is een onvoorstelbare 1 op de 1062.
Ook hier biedt inflatie de oplossing. Het heelal kan vlak na zijn geboorte best een bolle of holle vorm hebben gehad, zolang dit maar werd gevolgd door een extreme inflatie waarin elke kromming werd gladgestreken. Denk aan een mier op een leeggelopen ballon die duidelijk rimpelingen waarneemt. Als de ballon wordt opgeblazen, ervaart de mier een vlak oppervlak.
Magnetisch monopoolprobleem
De deeltjesfysica voorspelt dat grote hoeveelheden magnetische monopolen gevormd moeten zijn vlak na de geboorte van het heelal. Dit zijn zware deeltjes met slechts één magnetische pool, in tegenstelling tot de bipolaire magneten die we gewend zijn. Toch hebben we nog nooit een monopool gevonden, hoe hard we ook zoeken. Inflatie lost deze discrepantie tussen theoretische voorspelling en waarneming op. Door een razendsnelle expansie van het beginnende heelal zijn de gecreëerde monopolen zó ver verspreid dat de kans praktisch nul is dat er eentje zich in onze buurt bevindt.
Structuurprobleem
Tot slot is er een probleem met de structuur van het heelal, inclusief alle sterrenstelsels, zonnestelsels en wijzelf: het zou eigenlijk niet moeten bestaan. Als het heelal begon als een perfect gelijkmatige klomp energie, hoe konden er dan kiemen zijn ontstaan voor enige vorm van structuur? Ook hier schiet inflatie te hulp.
Op de allerkleinste schaal betreden we het rijk van de quantummechanica, waar absolute gladheid niet bestaat. De energie van elk plekje in het heelal fluctueert constant. Op het moment dat de inflatie een vlucht nam, werden de energievariaties plotseling vergroot tot macroscopische proporties. Dat vormde de kiem voor de structuur van het heelal zoals wij dat nu kennen.
Kosmische achtergrondstraling
Om bewijs te vinden dat inflatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, voert GroundBIRD metingen uit aan de CMB. Deze straling bevat sporen uit de periode vlak na de oerknal. Tijdens de eerste honderdduizenden jaren kon straling niet vrij door het heelal bewegen vanwege een ‘mist’ van overtollige, vrij rondvliegende elektronen en protonen. Na 380.000 jaar was het heelal voldoende afgekoeld om deze elektronen te laten binden aan atoomkernen, waardoor de mist snel optrok.
Sinds dat moment vliegt deze straling ononderbroken in alle richtingen door het heelal. GroundBIRD vangt daarom straling op uit alle richtingen die al gedurende de volledige levensduur van het heelal — 13,8 miljard jaar — onderweg is. Dit noemen we de kosmische achtergrondstraling (CMB). Die lijkt afkomstig te zijn van een bolvormige schil om ons heen met een straal van miljarden lichtjaren. Maar in werkelijkheid werd het uitgezonden vanaf een schil veel dichterbij, op golflengten in het nabij-infrarood. De uitdijing van het heelal heeft deze straling opgerekt tot de golflengten waarop we het nu waarnemen: microgolven.
Polarisatie
De CMB is grotendeels ongepolariseerd. Dit betekent dat alle fotonen in willekeurige richtingen trillen terwijl ze naar ons toe reizen. Hetzelfde geldt voor zonlicht. Een externe factor kan fotonen echter een lichte voorkeur geven voor een bepaalde trillingsrichting. In het geval van zonlicht is het de aardatmosfeer die de fotonen dwingt om in een bepaalde richting te trillen; het licht raakt gepolariseerd. In het geval van de CMB zijn het de piepkleine onregelmatigheden die in het jonge heelal aanwezig waren, die zorgen voor een lichte polarisatie.
E-modes en B-modes
Afhankelijk van de oorsprong van deze onregelmatigheden, kunnen er twee soorten polarisatie in de CMB ontstaan: E-modes en B-modes. Terwijl E-modes worden gecreëerd door zowel dichtheidsfluctuaties als zwaartekrachtsgolven, worden B-modes uitsluitend gecreëerd door vervormingen van de ruimte als gevolg van zwaartekrachtsgolven. B-modes in de CMB-polarisatie tonen dus de voetafdrukken van zwaartekrachtsgolven die tijdens de kosmische inflatie zijn geproduceerd. Door de sterkte van de B-modes te meten, kunnen we de energieschaal van de inflatie en de onderliggende natuurkunde peilen.
Aangezien zwaartekrachtsgolven extreem kleine vervormingen van de ruimte zijn, wordt verwacht dat de sterkte van de B-mode polarisatie ook zeer zwak is. Geschat op een fluctuatie in de orde van maximaal 10-9 K bovenop de algemene 2,7 K, is de B-modus polarisatie tot nu toe nog niet waargenomen, ondanks vele pogingen daartoe.
Snelle rotatie
GroundBIRD is een grondtelescoop, wat betekent dat hij last heeft van verstoringen in de atmosfeer. Om dit tegen te gaan draait de telescoop twintig keer per minuut om zijn eigen as. Atmosferische verstoringen, zoals wolken, flarden waterdamp en warme luchtstromen, trekken langzaam voorbij en veroorzaken trage fluctuaties in de metingen, vergelijkbaar met een lage bromtoon. De snelle rotatie van de telescoop voegt hier vlugge fluctuaties aan toe, te vergelijken met een hoge pieptoon. Een computer filtert vervolgens het gebrom uit de data en behoudt de piep.
Deze truc vereist detectoren met een snelle uitlezing. GroundBIRD roteert met 120 graden per seconde, terwijl de stukjes hemel die astronomen willen onderscheiden veel kleiner zijn; slechts enkele tienden van een graad. Conventionele bolometers verwerken het inkomende signaal te langzaam. SRON en TU Delft hebben daarom Kinetic Inductance Detectors (KIDs) ontwikkeld die wél snel genoeg zijn. De snelle rotatie stelt de telescoop bovendien in staat om een groot deel van de hemelrichtingen te overzien waaruit de CMB-straling vandaan komt.
Kinetic Inductance Detectors
KIDs werken op basis van het natuurkundige principe van kinetische inductie. Dit is de manifestatie van traagheid in mobiele ladingsdragers, zoals elektronen. Kinetische inductie speelt een rol wanneer een materiaal afkoelt tot nabij het absolute nulpunt en supergeleidend wordt, waardoor het geen weerstand meer biedt tegen een elektrische stroom.
Binnen een supergeleider schikt het merendeel van de elektronen zich in paren, waarmee ze intrinsieke weerstand van het materiaal omzeilen. Een wisselstroom versnelt en vertraagt deze paren continu. Hierdoor genereren ze kinetische inductie omdat de traagheid van de elektronparen zich manifesteert; het kost energie voor de wisselstroom om de paren heen en weer te bewegen. Denk aan een volle winkelwagen die je met veel kracht de hoek om moet duwen.
Wanneer straling een supergeleider raakt, stroomt zijn energie als een waterval door het materiaal, waarbij duizenden elektronparen opbreken. Een lagere dichtheid aan paren betekent een hogere kinetische inductie. KIDs meten continu de kinetische inductie van hun materiaal, zodat ze precies weten wanneer straling inslaat.
De KIDs van GroundBIRD zijn ontworpen om straling te observeren met golflengtes van 2,1 mm en 1,4 mm, gesorteerd door polarisatiegevoelige antennes die aan de KIDs zijn gekoppeld. Waarneming op meerdere golflengtes is cruciaal om de CMB-polarisatie te kunnen scheiden van andere mogelijke bronnen van gepolariseerde straling, zoals stof in de Melkweg of het gas en stof tussen sterrenstelsels.

