Miljarden sterrenstelsels
Euclid identificeert miljarden sterrenstelsels over een gebied dat een derde van de hemel bestrijkt, tot op een afstand van tien miljard lichtjaar. Zo geeft hij een beeld van het aantal sterrenstelsels dat zich vormde op elk tijdstip van het heelal. Bovendien zien astronomen aan de snelheid waarmee elk sterrenstelsel van ons af beweegt hoe snel de ruimte uitdijt op die plek in het universum.
SRON-onderzoekers gebruiken Euclids enorme database om te kijken naar een verband tussen actieve kernen van sterrenstelsels (AGN) en eventuele botsingen met andere sterrenstelsels. Met een sample van miljoenen sterrenstelsels hebben ze aangetoond dat botsingen een significante rol spelen bij het aanwakkeren van het superzware zwarte gat in het centrum van een sterrenstelsel. Bij de helderste zwarte gaten vormde een botsing zelfs de belangrijkste en mogelijk enige trigger om te gaan stralen.
Donkere energie
Sinds de oerknal dijt het heelal uit. Je zou misschien verwachten dat de zwaartekracht alles langzaam afremt en weer samenbrengt. Maar sinds de jaren ’90 weten we dat de uitdijing versnelt in plaats van vertraagt. De mysterieuze kracht die hieraan ten grondslag ligt, noemen astronomen donkere energie. Volgens het ‘standaardmodel’ binnen de kosmologie bevat elk stukje ruimte een vaste hoeveelheid donkere energie. Naarmate er sinds de oerknal meer ruimte bijkwam, is er dus ook steeds meer donkere energie bijgekomen. Uiteindelijk won de uitdijende kracht van de donkere energie het van de samentrekkende zwaartekracht. Dat omslagpunt vond negen miljard jaar na de oerknal plaats.
Euclid onderzoekt of dit standaardmodel klopt, of dat de donkere energie per stukje ruimte toch variabel is. Door zijn enorme database aan sterrenstelsels kan hij het heelal opdelen in kleine tijdvakjes, met elk een eigen mate van uitdijing. Al deze frames vormen een film van de geschiedenis van de uitdijing van het heelal. Het aantal sterrenstelsels dat zich in elk frame kon vormen, vertelt iets over de aantrekkende sterkte van de zwaartekracht versus de uitdijende kracht van donkere energie. Als die verhouding op sommige tijdstippen anders ligt dan je zou verwachten, blijkt donkere energie toch geen simpele optelsom van volumes ruimte zoals het standaardmodel voorstelt.
Donkere materie
De snelheid waarmee sterrenstelsels ronddraaien stellen astronomen sinds de jaren ’70 voor een raadsel. Ons zonnestelsel houdt zich netjes aan de wetten van natuurkunde; de buitenste planeten draaien langzamer dan de binnenste. Verder weg van de Zon is er namelijk minder zwaartekracht en dus zou bijvoorbeeld Neptunus uit de bocht vliegen als hij net zo snel zou bewegen als Venus. Bij sterrenstelsels zien we dat de buitenste sterren ongeveer net zo snel bewegen als sterren dichterbij het centrum. Dit kunnen astronomen alleen verklaren als er tussen de sterren een onzichtbare bron is die extra gewicht in de schaal legt. Ze noemen dit donkere materie.
Later bleek dat er ook tussen de sterrenstelsels extra bronnen van zwaartekracht zitten. Clusters van sterrenstelsels bevatten heet gas waarvoor de zichtbare sterren niet genoeg massa hebben om het bij zich te houden. En de structuur van het heelal op grote schaal heeft een webstructuur met lichtgevende filamenten van aaneengeregen sterrenstelsels. Computersimulaties kunnen deze structuur niet namaken zonder donkere materie. Donkere materie zou een soort skelet moeten vormen met geulen waar de gewone materie invalt.
Euclid onderzoekt de aanwezigheid van donkere materie door te kijken naar subtiele vervormingen van sterrenstelsels. Als er op enige plek in de kijkrichting (donkere) materie zit, zal die het licht van een sterrenstelsel afbuigen en daarmee zijn afbeelding vervormen. Als vele sterrenstelsels een vervorming vertonen richting een specifieke plek, duidt dat op een klont donkere materie. Met een database van miljarden sterrenstelsels kan Euclid zo het skelet van donkere materie ontrafelen. De scherpte of juist wazigheid van het skelet zegt mogelijk iets over de oorsprong van donkere materie. Afwijkingen in het skelet ten opzichte van wat het standaardmodel voorspelt zouden wijzen op onjuistheden in dat model.
Euclid heeft twee instrumenten aan boord. Het Visible Instrument (VIS) maakt foto’s in zichtbaar licht en meet de vervormingen van sterrenstelsels met een nauwkeurigheid van 0,1 boogseconde. De Near-Infrared Spectrometer and Photometer (NISP) maakt spectra in het infrarood, waarmee astronomen achterhalen in hoeverre het spectrum van een sterrenstelsel naar langere golflengtes is verschoven. Dat geeft de hoeveelheid ‘roodverschuiving’ en dus de snelheid waarmee een sterrenstelsel van ons af beweegt.
Beide instrumenten hebben een breed blikveld van 0,57 vierkante graden, ofwel driemaal de volle maan. Dat stelt Euclid in staat om tijdens zijn 6-jaar durende missie een derde van de hemel te fotograferen, met gegevens over miljarden sterrenstelsels.

